Beschrijving

Recensie

Verdrinken in een poel van vergelijkingen

Jeroen Dera, 01 februari 2019

Fenomeen. Marieke Lucas Rijneveld is pas aan haar tweede dichtbundel toe, maar hij is al een variatie van het hetzelfde recept.

De entree van Marieke Lucas Rijneveld (27) in de Nederlandstalige letteren had veel weg van een zegetocht. Critici omarmden haar bundel Kalfsvlies (2015), die werd bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor het beste poëziedebuut, terwijl ook de roman De avond is ongemak (2018) een daverend succes werd. Het mag dan ook niet verbazen dat uitgeverij Atlas Contact de nieuwe poëziebundel Fantoommerrie op de achterflap bejubelt als 'een nieuwe verkenning in het universum van Marieke Lucas Rijneveld, dat paradoxaal genoeg aan de ene kant compleet onnavolgbaar is, maar aan de andere kant ook onmiddellijk herkenbaar en altijd eigen'.

Herkenbaar en eigen is deze poëzie zeker. Er is geen dichter in de Nederlandse poëzie die zo excessief strooit met de vergelijking met 'als' (in Fantoommerrie zo'n honderdvijftig keer), die zo veel beelden op elkaar stapelt, die zo uitputtend opsommend associeert als Rijneveld. Van 'kikkerlijkjes als lekgestoken tennisballen' tot 'neurotisch als melkrobots' en 'lichamen zacht als boterkrullen': praktisch altijd is haar beeldtaal vrij van clichés, maar bijna nooit zijn haar associaties vergezocht.

Evenals Kalfsvlies is Fantoommerrie een bundel over identiteit, over de zoektocht naar een persoonlijke uitdrukkingsvorm in het krachtenveld van sociale conventies - van familie, van gender, van platteland, van jeugd. Al vroeg in de bundel verwijst Rijneveld naar haar eerdere werk, als ze een jager opvoert die Kalfsvlies leest. Hij 'zit wat lafjes door mijn eerste dichtbundel te bladeren/ alsof het plakjes vleeswaren zijn die hij op versheid test, citeert/ af en toe een zin die ik bij veel mensen vind passen maar niet// meer bij mezelf'. Schrijven blijkt een tot mislukken gedoemde poging het 'zelf' te vatten, in het voortdurende besef hoe veranderlijk dat is. Geen wonder dat de kinderen in het sterke tweeluik 'De Schoolmelkdrinkers' terugverlangen naar het moment dat ze nog niet door nurture getekend zijn: ze drinken melk vanuit de wens 'weer zuigelingen te zijn, de opening van het pak de// moederborst die we een voor een aan onze lippen zetten.'

Gender

Het meest nijpende aspect van Rijnevelds identiteitsthematiek is de genderfluïditeit van het 'ik'. De dichter voert een lyrisch ik op dat jongens wil belichamen 'die ik als voetbalplaatjes/ spaarde' en 'de bewegingsstructuur van jongenslichamen' jaloersmakend mooi vindt. Op het provinciale Nederlandse platteland is voor zulke manifestaties van gender trouble nauwelijks ruimte. Het bijbehorende gevoel van verstikking brengt Rijneveld krachtig onder woorden: 'eenmaal jongen geworden laat ik mij smelten/ tot de zesjarige die als een weekdier gevangen in jampotje door glas/ vergroot werd tot wie hij niet was'. Zou je deze regels nog kunnen bekritiseren omdat ze de transitie van vrouwelijkheid naar mannelijkheid wel erg schematisch voorstellen ('eenmaal jongen geworden'), op andere momenten in Fantoommerrie speelt Rijneveld een treffender spel met genderneutraliteit. Bijvoorbeeld als ze de taal gebruikt om meisje en jongen te laten overlappen: 'Ze is de jongen die zonder melk weerloos is tegen zichzelf en de ander'.

De grote valkuil van Rijnevelds werkwijze is dat zulke subtiliteiten verdrongen worden door de almaar uitdijende poel vergelijkingen, beelden en opsommingen die haar literaire wereld zo kenmerkt. Deze poëzie is stapeling op stapeling op stapeling, waardoor de bundel soms ook iets oeverloos krijgt en je het trucje bovenal op een gegeven moment wel doorhebt. Waar Kalfsvlies zich nog onderscheidde door Rijnevelds uitvoerigheid, heeft Fantoommerrie nu al iets weg van een variatie op het bekende recept.

Ik heb me daarom herhaaldelijk afgevraagd wat er zou gebeuren als Rijneveld haar neiging tot uitweiden zou inperken. Hoe origineel haar beeldtaal ook is, vaak ondergraaft ze de zeggingskracht ervan door te gedetailleerd door te draven. In het titelgedicht 'Fantoommerrie' worden benen uit elkaar geschoven 'in de vorm van een gevarendriehoek waarvan de reflectors/ het niet meer deden': waarom die kapotte reflectors toevoegen, die hebben toch niets uit te staan met de bedoelde vorm? Voorafgaand aan de sterke regel 'als ik ergens tegenaan loop word ik een kopje kleiner' kauwt Rijneveld exact voor hoe we ons dat beeld moeten voorstellen: 'Ik ben net als Mario uit/ het computerspel'. En als ze de onderhuids verstopte spierballen van meisjes in een gendercrisis vergelijkt met eigenheimers die wachten op de oogst, schrijft ze: 'een eigenheimer is een zonderling/ die enkel in duisternis tot bloei komt maar eenmaal boven de/ grond loopt hij kans op nachtschade als hij te lang in het licht/ blijft liggen, er niets mee gedaan wordt, ik wil net alle andere/ jongens een uitloper'. Rijneveld heeft nog maar net haar subtiliteit gedemonstreerd door het dubbelzinnige gebruik van 'nachtschade' (dat zowel verwijst naar de aardappel als naar het geweld dat de ik-figuur wordt aangedaan) of ze geeft een onnodige uitleg bij de uitloper. Ook zonder de toevoeging 'net als alle andere jongens' snappen we wel dat we dit beeld hier fallisch moeten opvatten.

Kortwieken

In het gedicht 'Ouderlingen' beschrijft Rijneveld hoe anderen soms menen dat de taal van een schrijver soms onmenselijk gekunsteld is: 'De schrijver in je maakt de mens ziek, alles// wat je zegt is zo geredigeerd dat het gebundeld kan worden'. In het geval van Fantoommerrie ligt de waarheid in het midden. Ja: er zit bijzonder veel poëtische kracht in dit gewas, maar de scheuten mogen gekortwiekt.

Atlas Contact, 64 blz., 19,99 € (e-boek 9,99 €).

01 februari 2019© De Standaard14