Beschrijving

Recensie

Ten strijde met verzen

Jeroen Dera, 05 januari 2018

Vier Vlaamse en Nederlandse debuterende dichters trekken ten strijde zonder navelstaarderij, maar met experiment en engagement.

'Ik heb het even gehad met de poëzie', zei Lieke Marsman eind september in deze krant, enkele maanden na haar succesvolle romandebuut Het tegenovergestelde van een mens. Ze wilde 'weg van haar eigen navel' en zich 'richten op de wereld'. De ongelukkige suggestie is dat poëzie voor navelstaarders is. Vier recente debuutbundels bewijzen gelukkig dat niets minder waar is.

In het lijvige We komen van ver verwijst ook Carmien Michels (27) naar de neiging van haar generatie om weg te kijken van een wereld die in brand staat. Zo schrijft ze in het gedicht 'Middenrif' een regel die neigt naar escapisme: 'Als je de wereld tot droom verbouwt/ heb je geen last van nachtmerries'. Als er in Michels' poëzie echter al sprake is van een droomwereld, dan schuilt die hoogstens in het beeldende karakter van haar verzen, die soms een haast aforistische zeggingskracht hebben: 'Onmacht is jezelf wijsmaken/ dat oude lijken 's nachts verpulveren/ tot ochtendprut/ weg te pulken uit ooghoeken'. Het is zonneklaar dat Michels de kunst verstaat rake observaties te doen, al blijven de reflecties in We komen van ver wat oppervlakkig, met name in de nadrukkelijk geëngageerde gedichten. Neem deze strofe uit 'Het begon':

Het stopt niet met Europa

die haar grenzen aan een stier met rode vlag verkocht

Het stopt niet met reddingsmissies als mensensmokkel afgeblaft

Het stopt niet met de haatkreet die op de volgende aanslag wacht

Het klopt niet de Middellandse Zee als massagraf

In dit soort regels fungeert de maatschappelijke problematiek al te zeer als een decor voor poëtisch engagement. Michels neemt de actualiteit weliswaar op in haar gedichten, maar voorziet deze zelden van prikkelende duidingen of interessante gezichtspunten. Het breekt haar debuutbundel niet op, maar Michels' beeldende vermogen zou gebaat zijn bij meer analytisch reliëf.

Polis, 80 blz., 19,99 € (e-boek 14,99 €)

De balans slaat door naar de andere kant in de debuutbundel van Dominique De Groen (26), Shop girl. De Groens voornaamste thema is de laatkapitalistische productiecyclus waarmee de eenentwintigste-eeuwse westerse mens tot in elke vezel verweven is. 'ik zie het einde van de winkelvloer niet', stelt haar shop girl (werkzaam in een winkelketen voor goedkope kleding) vast: zij is, mede doordat ze voortdurend online is, volledig verbonden met de productieketen. Dat idee is doorgevoerd tot de omslag van de bundel aan toe. De titel is voorzien van een ®-teken, terwijl ook het ISBN, het unieke nummer voor een boek, de volle aandacht opeist. De lezer kan er niet omheen dat ook Shop girl een product is dat verkocht moet worden, hetgeen een fascinerende spanning oproept met de politieke zorgen die uit deze poëzie spreken: 'Zolang er kapitalisme/ op de planeet is/ zal zij nooit gered worden'.

De Groens ontleding van het laatkapitalisme, met de kledingindustrie en haar dubieuze praktijken in derdewereldlanden als sprekende casus, is messcherp. Haar keuze om veelvuldig te strooien met dollartekens en woorden als 'Eurotex Ltd' en 'dimethyltereftalaat' leidt er echter wel toe dat Shop girl op afstand blijft van de lezer die het niet al bij voorbaat met haar eens was. Dat is jammer, temeer omdat De Groen laat zien dat zij het genre tot in de finesses beheerst - zie regels als 'de supply chain manager weet/ dat je katoenplant/ niet kan spellen zonder klant' en 'Kijken naar olie/ is kijken naar het verleden'. Waar Michels' analyses achterbleven bij haar poëtische zeggingskracht, loopt de poëzie van De Groen kortom het risico te verdrinken in de analyse.

Het Balanseer, 72 blz., 19,50 €

Evenals bij De Groen gaan experiment en engagement hand in hand in Vloekschrift,de bundel van Arno Van Vlierberghe (27) die bij vlagen doet denken aan de poëzie van de jong overleden Nederlandse dichter Jeroen Mettes (1978-2006). Van Vlierberghes gedichten bevatten formeel zo'n beetje alle ingrediënten van postmoderne poëzie: ze waaieren naar alle kanten uit; ze geloven niet in de eenheid van het subject ('De waarheid is dat ik uit meerdere adressen besta', aldus het lyrisch ik, dat niet meer is dan 'een Arno') en ze plaatsen zichzelf opzichtig in een tekstuele traditie: 'Allesomvattende poëzie?/ Terugkeer van het discursieve, inclusieve epische gedicht in België?/ Hehe, graag'. Het dubbelzinnige gebruik van 'Hehe' (bedoelt Van Vlierberghe 'eindelijk' of grinnikt hij maar wat?) laat zien hoe geraffineerd de uitwaaierende constructie in dit geval is, maar de kracht van Vloekschrift schuilt vooral in de urgentie die de dichter op elke pagina van dit debuut voelbaar maakt. Die schuilt niet alleen in niets of niemand ontziende maatschappijkritiek (zoals de constatering dat de zorgeloze, geprivilegieerde westerling de wereld betreedt 'als een hooligan het stadion'), maar ook in Van Vlierberghes weigering zijn dichtpraktijk te relativeren. 'Wat is onze taak? Globaliteit heroveren op de vijand.// De vijand? De vijand is alles wat in de weg staat van dit gedicht', tekent hij militant aan in 'De Killzonegedichten'. Je kunt niet anders dan een alliantie aangaan met deze 'Anticharismatische Arno' en met hem ten strijde trekken tegen 'het restafval van de vorige eeuw'. Of je moet zijn advies ter harte nemen: 'Je moet dit trouwens allemaal dronken lezen.'

Het Balanseer, 48 blz., 17,50 €

Nog sterker dan Vloekschrift is intussen het opmerkelijke debuut van Simone Atangana Bekono (26), hoe de eerste vonken zichtbaar waren. Het betreft Atangana Bekono's afstudeerwerk aan de Nederlandse ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten, waarin ze in drie afdelingen (met twee brieven aan ene 'Kipje' in het midden) reflecteert op thema's als identiteit en gemeenschap. De dichter onderzoekt voortdurend wat het betekent om een lichaam te hebben - een motief dat overigens ook bij Van Vlierberghe een belangrijke rol speelt - en vooral welke (vaak racistische of seksistische) connotaties aan zo'n lichaam worden toegekend. 'ik trek een jurk aan, trek een huidkleurige jurk aan/ ben zeventig kilogram vlees zonder naam, taal of herkomst', schrijft Atangana Bekono in de openingsreeks 'wrijving', en in 'vonken' laat ze haar personages 'lichaamloos van het duin naar de zandweg' lopen. Zo'n wereld zonder lichamelijke identiteiten bestaat natuurlijk alleen in een naïeve droomwereld, waarin de dichter geen regels als deze hoeft te schrijven: 'zwarte mensen maken hun lichamen kleiner met groot haar en kleine telefoons/ en dat is vermoeiend'.

Het sterke van hoe de eerste vonken zichtbaar waren is dat Atangana Bekono haar thematiek even luchtig als dwingend ontvouwt, zonder ook maar één keer prekerig te worden. Haar vlijmscherpe, redenerende taal - waarin de West-Afrikaanse Yemaýa en de Antiek-Griekse Circe moeiteloos naast elkaar functioneren - nodigt de lezer uitdrukkelijk uit ook op de eigen vooronderstellingen over het lichaam te reflecteren. Wie die uitnodiging aanvaardt, ziet de vonken zichtbaar worden - gelukkig niet rond de navel.

Lebowksi/Wintertuin, 12,50 €.

05 januari 2018© De Standaard 6

Een solide stem die niets uit de weg gaat

Maria Barnas, 30 december 2017

POËZIE. Simone Atangana Bekono: Hoe de eerste vonken zichtbaar waren.

Dat deze gedichten geschreven moesten worden, is onmiddellijk duidelijk. De regels staan onder spanning van woede, onbegrip, de noodzaak om woorden te vinden voor wat zich voordoet als vanzelfsprekend, maar onacceptabel is. De woorden die Simone Atangana Bekono (1991) vindt in haar debuutbundel leiden tot een wereld waarin zij met haar taal heerst:

ik leen geld van een blanke, westerse man

ik koop toiletpapier voor een blanke, westerse man

ik ben een gedachte-experiment van de blanke, westerse man

Twee blanke, westerse mannen prijzen het werk van Bekono aan op de achterflap. Een grap? Het zou goed kunnen. Humor en zelfrelativering worden net zo gemakkelijk ingezet als scherpe observaties over scheve maatschappelijke verhoudingen.

Het maken zelf wordt tot onderwerp verheven in het lange slotgedicht, waarin de dichteres vindt dat ze verantwoording moet afleggen voor haar uitspraak (uit een ander gedicht) dat alle zwarte mensen zich identificeren met drenkelingen. Elders schrijft ze ook dat 'alle mensen' niet bestaan, evenmin als 'alle zwarte mensen'.

Bespiegelingen over alle zwarte mensen die niet bestaan monden uit in het beeld van een zwart meer, waarlangs een marathon wordt gelopen, waar mensen als slaven zijn vastgeketend, waar massavernietingswapens in worden gegooid, om als stinkend koraal en duizendvingerige armdieren met huiden van tongen te herrijzen:

er is een mooi en pijnlijk ding dat mij dicteert

maar ik slaap graag en heb soms ook honger

een soldaat wordt steeds kopje onder geduwd

als hij zich met zeiknat uniform en al

uit het zwarte water probeert te hijsen

een representatie van de onmacht om geweld of sterven te ontlopen

voor zover ik de tijd heb

schrijf ik het allemaal op.

Angst, het brullen over de angst heen, moed, het relativeren van moed, vriendschap, liefde, liefdeloosheid, schaamte en schaamteloosheid wisselen elkaar af. Wat de gedichten verbindt, is een solide stem die niets uit de weg gaat, zelfs vergezochte associaties niet. Deze blijken tot fijnbesnaarde, krachtige, epische poëzie te voeren.

****

Wintertuin/Lebowski; 43 pagina's; € 12,-.

30 december 2017© De Volkskrant 110