Beschrijving

Recensie

Een kei in duren, de debuutbundel van Ann van Dessel, bevat gedichten die verdienstelijk zijn maar niet wereldschokkend, hoewel dat vermoedelijk de bedoeling was. Haar taalgebruik is parlando, de gehanteerde woordenschat past in een uit de jaren tachtig herkenbaar idioom dat veeleer benaderend is, strelend, liefkozend misschien. Laat ons zeggen dat Van Dessel zich in Een kei in duren in de schaduw plaatst van voorbeelden zoals Luuk Gruwez of Herman de Coninck, wat neoromantisch dus, gemengd met wat neorealisme. Vrij gewone poëzie, en misschien daardoor wel indringend en bijwijlen knap. Van Dessel streeft naar een uitgepuurde vorm met een zuivere boodschap.
Op de flaptekst wordt, zoals gebruikelijk, gesproken van ‘taalminiaturen’, ‘unieke invalshoeken’ en een ‘intens, weerloos vakmanschap’. In haar poëzie wordt het vanzelfsprekende verheven tot het buitengewone, zo staat er. Dat is overwegend gemeenplaats wegens toepaspaar op nogal wat poëzie, maar Van Dessel lijkt als dichteres op een existentiële manier met schrijven bezig te zijn en komt daardoor los te staan van de stereotiepe bewoordingen op voor- en achterflap. Meermaals bekroond en dorpsdichteres van Haacht, maar het zijn vaak veelvuldig bekroonde dichters die de lokale poëziewedstrijden afschuimen en zich aldus een curriculum vitae sprokkelen omdat dit nooit vanuit hun poëzie zelf zal kunnen komen. Dit is een oproep aan Van Dessel om haar deelname aan dat soort dubieuze evenementen te staken en de echte poort van de poëzie open te duwen.
Van Dessels belangrijkste motieven zijn de stilte, het vrouwelijke, het gezinsleven, de pijn en de dood, dat laatste meestal van een vaderfiguur. Vaak doet de dichteres daar zeer behoorlijke dingen mee, zoals in het gedicht ‘Vogel’: ‘zoals een meisje speelt met jongens / die van haar geen hoogte krijgen / zo speelde zij met zwaartekracht / ze aardde niet, liep steeds scherper // op de kanten, bomen moesten hoger / en elke toren stak haar ogen uit / ze probeerde hoge hakken, stelten / maar zelfs de valscherm bracht niet // de vleugels die ze vieren wou / op een dag vloog ze uit het raam / loodrecht naar het gras dat zwijgzaam / onder haar rug bleef liggen’. De dichteres benadert in gewone bewoordingen het hoogst ongewone, in dit geval de zelfdoding van een meisje. Eigenlijk begint het gedicht met een versregel die een hele metafoor inluidt. Er hapert iets in dit gedicht (en in nog ander gedichten), woorden die stokken - in dit geval na ‘de vleugels die ze vieren wou’. Dat gebeurt soms in deze bundel die, mits een nauwkeuriger redactie, de gedichten beter tot hun recht had laten komen.
Ook het beetje experiment dat nu en dan in deze bundel opduikt had anders en beter gedoseerd moeten worden. In een gedicht zoals ‘Bloemenbed’, met ongewilde verwijzingen naar bepaalde Vijftigers, in een stijl met een (vermijden van) interpunctie, heet het: ‘gladgewassen en geschoren / lig je ten toon bijna te bidden / wat moet ik met mijn bloemen // je lijf is een meubel, een altaar / jij die altijd naakt in bed wou / nu met strak maatpak onder dekens // zeg niet dat je ook schoenen. je lacht / de kaarsen aan je voeten uit / zie ik een grijns om je mond // hoe zwijg je de stilte de baas / hoe doe je alsof, je slaapt / nu ik jou onder de bloemen stop’. Een mooi gedicht, niet ‘uniek’ qua invalshoek, wel intens, maar ook weer geen ‘taalminiatuur’. Er valt wat te doen met deze gedichten. Er zit de belofte in van een tweede bundel. En de dichteres hoeft daartoe allerminst afstand te doen van de stijl en de thematiek die ze in dit debuut heeft gehanteerd. [Stefan Van den Bossche]
Copyright (c) Vlabin-VBC2013http://www.deleeswolf.be