Beschrijving

De verschrikkelijke meneer Gom heeft een plan

Boek
Nederlands
Uitgegeven
door Lannoo in
Samenvatting
Meneer Gom is een enorme luiwammes die niet van opruimen houdt. Zijn huis is een puinhoop maar zijn tuin ziet er keurig uit. Tot hond John er een bende van maakt. Meneer Gom wordt verschrikkelijk boos. Vanaf ca. 8 jaar.

Recensie

J. Staal
Meneer Gom is een enorme luiwammes die niet van opruimen houdt. Zijn huis is een puinhoop, overal slingeren pizzadozen rond. Maar de tuin ziet er altijd keurig uit. Dat moet ook wel, want anders mept een kwade fee hem met een braadpan om de oren. Als de hond John een ravage aanricht in de tuin, raakt meneer Gom door het dolle heen en probeert hij de hond te vergiftigen. Nonsensverhaal vol overdrijving, kolder en bizarre zijsprongen. Eerder verschenen in het Nederlands in 2009*. Deze uitgave is aantrekkelijker doordat het verhaal in korte alinea’s is geknipt (met witregel) en op vrijwel elke pagina is voorzien van minstens één cartooneske tekening. Hierdoor is het boek ook zeer geschikt voor kinderen die wat meer moeite hebben met lezen. Tekeningen zijn van de onlangs met het Gouden Palet bekroonde Belgische illustrator Mattias De Leeuw. De Britse auteur won met zijn Mr Gum-serie diverse prijzen, waaronder de Roald Dahl Funny Prize. Vanaf ca. 8 jaar.
© NBD Biblion
Absurdisme op de spits



Meneer Gum heeft een hekel aan "kinderen, dieren, leuke dingen en aan mais [sic] die aan de kolf zat." Meteen is de toon gezet van dit knettergekke verhaal waarin, net als in de geciteerde opsomming, elke wending een absurd staartje kan krijgen. Zoals typisch is voor dit soort verhalen, wordt de typering van meneer Gum doorgezet en krijg je een uitvoerige beschrijving van zijn gemene uiterlijk en vooral van zijn smerige gewoontes ("hij pulkte in zijn neus en at op wat hij eruit haalde"). Vreemd genoeg heeft meneer Gum een keurig verzorgde tuin. Alhoewel, in de absurde logica van dit verhaal valt dat te verklaren: in zijn badkuip leeft nl. een boze fee, die hem mept met een koekenpan als hij het waagt zijn tuin te verwaarlozen.

Meneer Gums relatieve rust wordt wreed verstoord als de hond Sjaak zijn tuin komt omwoelen. Na enkele afranselingen door zijn fee is meneer Gum het beu en bedenkt hij een snood plan. Bij de al even wrede slager haalt hij een portie bedorven vlees dat hij nog eens extra behandelt met vergif. Een lief klein meisje met een onmogelijk lange naam (maar "je mag haar ook gewoon Polly noemen") luistert meneer Gum toevallig af en besluit de aardige hond te redden. Ze gaat op zoek naar Sjaak, maar verdwaalt. Alweer heel toevallig komt ze bij het verborgen huisje van Vrijdag O'Livier, de grote redder. Die blijkt echter een vreemde kwast die eerst nog allerlei andere absurde dingen wil doen, waardoor ze te laat komen. Sjaak is stervend en meneer Gum en de slager schakelen Vrijdag uit. "Maar op dat ogenblik gebeurde er iets wonderbaarlijks." De snoepverkoopster, mevrouw De Allerliefste, bekogelt de snoodaards met reusachtige toverballen, er duikt nog een vredelievend jongetje op uit het niets en de slechteriken slaan op de vlucht. En natuurlijk trouwen Vrijdag en De Allerliefste. Of dat het echte slot is, mag je als lezer zelf uitmaken. De auteur voegt nog enkele knotsgekke pagina's toe, waarbij hij het ene zogezegde slot op het andere laat volgen. De finale zin voert het absurde nog eens ten top: "En wat betreft de Leraar van het Heelal zelf, die lag de rest van de middag te slapen in de wei en toen hij wakker werd was er een paard aan zijn arm aan het likken. EINDE". Een opmerkelijk detail: na het laatste woord volgt geen punt.

Met dit verhaal, dat thuishoort in een hele reeks 'meneer Gum'-boeken, waaronder ook het reeds in het Nederlands verschenen Meneer Gum en de biscuitbiljonair (Hoogland & Van Klaveren, 2009), sluit Andy Santon aan bij het recent erg populaire absurdistische genre, met auteurs als Lemony Snicket, Deb Gliori en Eoin Colfer. Het meest typerend zijn de talrijke aansprekingen van de lezers, waarbij de auteur geregeld een loopje neemt met de realiteit en met verhaal- en stilistische conventies.

Voortdurend wordt de normale logica ondergraven: wanneer de fee opduikt om meneer Gum te meppen met haar koekenpan omdat hij zijn tuin niet verzorgt, staat er: "Zie je wel, er is voor alles een simpele verklaring". Als de nood het hoogst is, is er de redder Vrijdag, die weliswaar een kluns blijkt, maar dankzij de toverballen van mevrouw De Allerliefste en een jongetje (dat zich voorstelt als de Geest van Regenboog, maar eigenlijk een buurjongen blijkt) toch nog voor een happy end kan zorgen, dat op zijn beurt meteen op de helling wordt gezet. In het toegevoegde slot krijgt zelfs de hele evolutieleer een absurde draai.

Constant neemt de verteller ook een loopje met de plot. Typisch is de volgende tussenkomst tussen haakjes: "(Misschien kunnen we toch beter met een nieuw hoofdstuk beginnen. Sorry voor dit alles, mensen.)". Door de onwaarschijnlijke wendingen en de grote rol van het toeval (die extra in de verf gezet wordt) wordt alles mogelijk. Kenmerkend zijn ook de uitweidingen die (op het eerste gezicht) niets met het eigenlijke verhaal te maken hebben en de stukken overbodige uitleg. Soms expliciteert de verteller hoe hij een spel speelt met de lezers: "En ik ga jullie ook nog niet verklappen dat hij een van de helden van dit avontuur is. Ha! Dat houd ik lekker allemaal voor mezelf! Jullie moeten wachten tot hoofdstuk 7, dan pas krijgen jullie het te weten. Zoiets heet 'de spanning opbouwen." Finaal wordt ook het boek zelf als verklaring aangewend voor het onmogelijke. Als Vrijdag blijkt te weten dat Sjaak ooit Polly's leven redde en het meisje vraagt hoe hij dat weet, volgt er: "'Het staat allemaal in een boek dat ik aan het lezen ben,' zei Vrijdag, die uit zijn jaszak een exemplaar tevoorschijn trok van Je bent een Slecht Mens, Meneer Gum! Je zei het in hoofdstuk 5." Niet enkel de verteller, maar ook een personage kan in en uit het verhaal duiken als die dat wil.

Het overbodige en gratuite blijkt ook in de stijl, die gekenmerkt wordt door nodeloze herhalingen, overbodige opsommingen, uitgesponnen vergelijkingen en wissels van register. Populaire taal staat naast formele: "Polly holde met een rotvaart de heuvel af als een knikker die was ontsnapt uit de knikkerzak" ? "Dus zo komt het dat we meneer Gum in vreselijke onwetendheid aantreffen, gezeten op een zeemansfortuin aan (mogelijkerwijs) toverchocola, onderwijl snode plannen beramend." Zoals hij speelt met de lezer en met verhaalconventies, zo speelt de auteur ook met de taal zelf, onder meer in de vorm van rijmen en variaties op spreekwoorden: "Hij was aan het geinen met de konijnen, hij gaf concerten met de herten", "waar de kool groeide als kool en de appels nooit ver van de boom vielen". Ook hier krijg je de indruk dat de auteur zich laat leiden door toevallige invallen.

In absurde verhalen voor jonge lezers spelen ook de illustraties een belangrijke rol. Soms nemen ze zelfs een deel van het verhaal over, waarbij ze wendingen of grapjes uitbeelden die niet in de tekst beschreven staan. In Je bent een slecht mens, meneer Grum! is dit niet het geval. De tekeningen geven weer wat er in de tekst staat, waarbij de karikaturale tekenstijl de humor in de verf zet. Typisch is dat ze veel plaats in beslag nemen, waardoor het boek kinderen die niet te veel woorden op een blad willen zien, extra aangesproken worden. Maar als ze er niet zouden staan, zou je ze nauwelijks missen.

Je bent voor of tegen dit soort verhalen. Ofwel val je voor de absurde humor, ofwel erger je je aan de talloze onwaarschijnlijkheden en de vele clichés, vind je de aanspreektoon irritant, de humor goedkoop en het verhaal leeg. In dit genre wordt de grens tussen originaliteit en banaliteit erg dun. Wat mij betreft wordt in dit verhaal die grens veel te vaak overgestoken in de richting van de banaliteit. De parodiërende elementen zijn melig, het taalspel is goedkoop, de taalhumor is gezocht populair ("stuk broeksmoel") en de vergelijkingen zijn te vergezocht ("twee bloeddoorlopen ogen die je aanstaarden als een octopus die lag opgerold in een duistere grot"). Intertekstualiteit is eigen aan het genre, maar in dit geval is de geest van Roald Dahls De griezels (Fontein, 2004) wel erg duidelijk aanwezig. De illustraties zijn al even weinig origineel als de plot en de stijl: de invloed van Quentin Blake is overduidelijk in de krasserige, schetsende lijnvoering. Daarbij valt bitter weinig extra's te ontdekken. De bloemen en vlekken op het eind 'illustreren' de volgende zin uit het voorlopige slot, die uiteindelijk het hele verhaal typeert: "En verder gebeurde er heel weinig, en de zon ging onder achter de horizon." [Jan Van Coillie]
Copyright (c) Vlabin-VBC20091231http://www.deleeswelp.be