Beschrijving

De wonderbaarlijke tovenaar van Oz

Boek
Nederlands
Uitgegeven
door Moon in
Samenvatting
Door een wervelstorm belandt Dorothy in het Land van Oz. Om weer naar huis te kunnen moet ze de tovenaar van Oz vinden. Onderweg krijgt ze drie nieuwe vrienden. Voorlezen vanaf ca. 9 jaar, zelf lezen vanaf ca. 11 jaar.

Recensie

De wonderbaarlijke tovenaar van Oz

Sieglinde Duchateau, 22 januari 2015

Dorothy, die samen met haar oom en tante in de grijze, Amerikaanse stad Kansas woont, wordt op een dag met huis en al door een wervelwind meegevoerd. Samen met haar hondje Toto belandt ze in een magische wereld. Ze wil graag terug naar huis en gaat daarom op zoek naar de machtige tovenaar van Oz, die haar zeker zal kunnen helpen. Op haar weg ontmoet ze de meest vreemde figuren. Een vogelverschrikker, een blikken houthakker en een laffe leeuw worden haar beste vrienden en trekken met haar mee naar Smaragdstad. Allemaal hebben ze een liefste wens en ze hopen dat de tovenaar die kan vervullen. Ze beleven allerlei avonturen, komen in een heleboel hachelijke situaties terecht en ontdekken het grote geheim van de tovenaar, die vooral een grote bedrieger blijkt te zijn. Maar misschien kan hij Dorothy en haar vrienden toch wel helpen ... 'De wonderbaarlijke Tovenaar van Oz' is een klassieker uit 1900 die meermaals werd verfilmd en in theaterproducties opgevoerd. Deze uitgave slaagt er niet in het ouderwetse sfeertje op te heffen en zelfs de illustraties van Harmen van Straaten frissen dit verhaal niet op. Vreemde ontmoetingen, bizarre opdrachten en kleurrijke personages situeren zich in een sprookjesachtige, tijdloze fantasiewereld. Hoewel het een verhaal vol avontuur is, loopt het allemaal een beetje al te vlot en wordt het nergens echt spannend. Mooie, verzorgde uitgave.


22 januari 2015© Pluizer144http://www.pluizer.be
Wendy Buenen
Door een storm belandt het meisje Dorothy in het land van Oz, samen met haar hondje Toto. De bijzondere inwoners verwijzen haar naar de grote tovenaar van Oz: hij is de enige die ervoor kan zorgen dat ze weer thuis komt. Op weg naar zijn paleis ontmoet ze allerlei vrienden: een levende vogelverschrikker, een blikken houthakker en een laffe leeuw die haar vergezellen op haar reis, ieder met een eigen verzoek aan de tovenaar van Oz. Dorothy wil naar huis, de vogelverschrikker droomt van hersens, de blikken boswachter smacht naar een hart en de leeuw wenst moed. Samen trotseren ze allerlei gevaren en moeilijkheden om de tovenaar te vinden. Dit sprookjesachtige verhaal met een moraal is opgedeeld in 24 hoofdstukken van circa zes pagina’s. Ieder hoofdstuk is voorzien van diverse schetsachtige zwart-witillustraties in de bekende stijl van de illustrator. In het midden is een aantal kleurentekeningen te vinden. Het omslag oogt niet erg aantrekkelijk voor kinderen. Voorlezen vanaf ca. 9 jaar, zelf lezen vanaf ca. 11 jaar.
© NBD Biblion
Tussen authenticiteit en vernieuwing

The wonderful wizard of oz driemaal vertaald



Sommige kinderboeken worden zo succesvol bewerkt voor (teken)film, toneel en/of musical, dat de oorspronkelijke drager uit het oog verloren raakt. The wonderful wizard of Oz van L. Frank Baum is er zo eentje. Hoog tijd om deze klassieker opnieuw onder de aandacht te brengen, dachten een aantal uitgeverijen recentelijk. In een periode van vier jaar kwamen maar liefst drie hertalingen op de markt: De wonderbaarlijke tovenaar van Oz, een vertaling van Bob Hooijmeijer met illustraties van Harmen Van Straaten (Moon, 2009), De tovenaar van Oz, vertaald door Ernst van Altena en geïllustreerd door Lisbeth Zwerger (De Vier Windstreken, 2009) en De tovenaar van Oz, een bewerking van Henri Van Daele (Davidsfonds/Infodok, 2005 ? in 1994 al verschenen als 'Averbode klassieker'). Drie versies, drie stemmen, drie manieren van omgaan met de klassieker. Om door het bos de bomen te kunnen blijven zien, is een zoektocht naar de meerwaarde van elke uitgave op zijn plaats.

Om generatie na generatie kinderen (en volwassenen!) te blijven aanspreken, worden klassieke verhalen regelmatig hertaald. Hoe sterk de vertaler ingrijpt, hangt af van de rol die hij/zij zich toedicht. De idee van de vertaling als een exacte omzetting van het origineel is inmiddels achterhaald. Elke vertaler maakt voortdurend keuzes en drukt zo een eigen stempel op het verhaal. Hoe duidelijk de stem van de vertaler doorklinkt, kan variëren. Vertalers die hun werk beschouwen als een 'reproductie' van het origineel, streven onzichtbaarheid na. De gerenommeerde vertaalster Elly Schippers hoort tot deze groep. Enkel wanneer de oorspronkelijke tekst een 'Aha-Erlebnis' in de weg staat, zo zegt ze in De Leeswelp 2008, nr. 4, p. 140), past ze iets aan.

Andere vertalers houden minder rigoureus vast aan het origineel. Als 'creatieve schrijvers' grijpen zij in waar zij dat wenselijk achten. De achterliggende motivatie hiervoor varieert van het assimileren aan de doelcultuur tot het esthetiseren van de doeltekst. Ed Franck en Henri Van Daele, beiden auteurs van de 'Klassieker'-reeks van Davidsfonds/Indofok, zien het zo: "Je moet er niet aan beginnen als je niet zelf denkt: Het gaat minstens zo goed worden, zelfs een stukje beter" (In 'Leesgoed' 1994). Alles wat de hedendaagse lezer als remmend ervaart en een te grote afstand schept met het verhaal, wordt bewerkt. Aanpassingen aan de cultuur, aan de geldende waarden en normen, en in de verwoording en plot zijn het gevolg.

Dit spel tussen authenticiteit en vervreemding brengt een belangrijke vraag met zich: hoe ver kan/mag een vertaler eigenlijk gaan in het aanpassen van de tekst? Vertalen is "spreken bij volmacht", zoals de vertaalster Wilmy Perridon het in 'Leesgoed' (2000, nr. 4) verwoordt, maar hoe ver reikt die volmacht? Vooral bij het hertalen van klassiekers wint deze vraag aan belang. Hoe fris ook, de brontekst van een klassieker is sowieso in mindere of meerdere mate gedateerd. Betekent dit echter dat het origineel opgefrist dient te worden? Waar eindigt een 'noodzakelijke' actualisering van de tekst en begint een inbreuk op de authentieke sfeer en het gedachtegoed ervan? Vanuit dit perspectief bieden de drie recente hertalingen van The wonderful wizard of Oz interessante onderzoeksstof. De brontekst uit 1900 doet bijzonder modern aan. Bovendien gaat het hier om een sprookje; een genre dat minder gebonden is aan een bepaalde cultuur of historische periode. De vraag naar de wenselijkheid van telkens nieuwe vertalingen en naar de grenzen aan actualisering en assimilatie is des te meer aan de orde.

Een eerste, globale vergelijking van de drie versies met de Engelse brontekst toont dat de drie vertalers geen ingrijpende wijzigingen hebben doorgevoerd op plotniveau. Anders dan bij vertalingen van Alice in Wonderland of Robinson Crusoë werd de oorspronkelijke tekst integraal vertaald. Wel schrapten Van Daele en Hooijmeijer het voorwoord van Baum. Aanpassingen van waarden en normen, of van culturele verwijzingen zijn eveneens miniem. Aangezien het om een sprookje gaat, is dit niet opmerkelijk. Bij een tweede, gedetailleerde analyse van de verschillende versies komen meer verschilpunten aan de oppervlakte. Voornamelijk de gehanteerde stijl en de opgeroepen sfeer lopen uiteen, wat samenhangt met de keuzes die de vertaler maakt op zins- en op woordniveau. De vertalingen van Van Altena en Hooijmeijer liggen dicht(er) bij elkaar en bij het origineel; Van Daeles "bewerking" (zoals het ook expliciet op het schutblad vermeld staat) wijkt sterker af. Tegelijk heeft iedere vertaling haar eigen waarde. Een kort fragment licht een tipje van de sluier op:



They now came upon more and more of the big scarlet poppies, and fewer and fewer of the other flowers; and soon they found themselves in the midst of a great meadow of poppies. Now it is well known that when there are many of these flowers together their odour is so powerful that anyone who breathes it falls asleep, and if the sleeper is not carried away from the scent of the flowers he sleeps on and on for ever.



Ze zagen nu steeds meer scharlakenrode papavers en minder van de andere bloemen en al spoedig bevonden ze zich in een heel veld vol papavers.

Nu is het algemeen bekend dat als er veel van die bloemen bijeen staan, hun geur zo krachtig is dat iedereen die deze inademt, in slaap valt en dat, als de slaper niet weggedragen wordt uit de geur van de bloemen, hij voor altijd blijft slapen.


(Van Altena, 2009)



Ze zagen steeds meer grote rode papavers en steeds minder andere bloemen. Al snel liepen ze door een groot weiland met alleen maar papavers. Het is geen geheim dat veel papavers bij elkaar zo'n sterke geur verspreiden dat je ervan in slaap valt. Gewoon, door in te ademen. En als er niemand is die je uit de papavergeur wegdraagt, dan wordt die slaap de eeuwige slaap.

(Hooijmeijer, 2009)



Hoe verder ze kwamen, hoe meer klaprozen er stonden, tot ze nog alleen maar klaprozen zagen, een hele weide vol. Het is geweten dat, waar veel van deze bloemen bij elkaar staan, er zo'n krachtige geur hangt dat je alleen nog maar wilt slapen, slapen.

(Van Daele, 2005)



Zowel qua stijl als qua sfeer zit Van Altena's vertaling het dichtst op de brontekst. Baums voorliefde voor lange zinnen ? wat Van Daele in het nawoord bij de oorspronkelijke uitgave uit 1994 de "kommapunt-stijl" noemt ? neemt hij over. Zijn tekst boet daarbij echter niet aan vlotheid en ritme in. Ook op woordniveau kiest Van Altena consequent voor authenticiteit. Zijn vertaling van het rijmpje van clown Joker geeft weer hoe hij zelfs in de moeilijkste omstandigheden zowel de sfeer als ook de esthetiek van de brontekst evenaart:



My lady fair,

Why do you stare

At poor old Mr Joker?

You're quite as stiff

And prim as if

You'd eaten up a poker!



O mooie vrouw,

Wat staar je nou,

Naar mij, de oude Joker?

Je mooie lijf

Lijkt preuts en stijf

Gevangen in een koker


(Van Altena, 2009)



O, schone vrouw

wat gaap je

mijnheer Grap nou aan?

Heb ik je soms

iets misdaan?


(Hooijmeijer, 2009)



Mijn kleine Do

Waarom kijk je zo

naar die arme meneer Joker?

Je staat zo stram en stijf alsof

je vastzit in een koker!


(Van Daele, 2005)



Dat Van Altena de namen van de bizarre volkjes die het gezelschap onderweg tegenkomt naar het Nederlands vertaalt, is ? gezien zijn streven naar authenticiteit ? tamelijk vreemd. De letterlijke vertaling werkt bovendien verwarrend. "Munchkins" worden "Knabbelaars", terwijl noch de tekst, noch de illustraties een dergelijke interpretatie ondersteunen. Eenzelfde bedenking geldt voor "Knipogers" ("Winkies") en "Vierders" ("Quadlings").

Naast de prachtige vertaling vormen ook de illustraties van Lisbeth Zwerger de meerwaarde van dit boek. In haar geheel eigenzinnige, ingetogen stijl roept ze Baums fantasiewereld tot leven. Zwergers stijl staat mijlenver af van die van de oorspronkelijke illustraties, maar toch stralen ze eenzelfde magie uit en versterken ze de tekst. De afgebeelde figuren zijn even eenvoudig als krachtig. Zwerger illustreert Dorothy zo treffend dat het lijkt alsof Baum precies dit figuurtje voor ogen had wanneer hij haar in 1900 bedacht. De personages worden vrij statisch afgebeeld, maar door de keuze voor aquarel en Zwergers voorliefde voor lichte kleuren werkt dit in de eerste plaats betoverend. De serene blikken van de personages ontroeren. Vooral de afbeelding op de cover, waarop de houthakker en de vogelverschrikker de slapende Dorothy uit het papaverveld wegdragen, is aandoenlijk.

De tandem Van Altena-Zwerger, die reeds langer de meerwaarde van hun samenwerking bewees, resulteert in een fris, 'wonderschoon' voorleesverhaal dat van begin tot eind de authentieke sfeer van het wonderbaarlijke en het nostalgische uitademt en daardoor het origineel meer dan recht aandoet.



Hooijmeijer neemt als enige de volledige titel over (De wonderbaarlijke tovenaar van Oz) en ook de inleidende titels boven de hoofdstukken vertaalt hij haast letterlijk. Ook hij probeert met zijn vertaling de authenticiteit van het origineel op te roepen. Dit lukt vrij aardig, maar in tegenstelling tot Van Altena boet zijn tekst hierdoor aan vlotheid en esthetische waarde in. Op zinsniveau herschikt hij lange zinnen, waarbij hij soms echter te dicht bij de Engelse structuur blijft. In dergelijke passages stokt het ritme en doet de vertaling stug aan. Vergelijk bv. Hooijmeijers en Van Altena's vertaling van het volgende fragment:



After a few hours the road began to be rough, and the walking grew so difficult that the Scarecrow often stumbled over the yellow bricks, which were here very uneven. Sometimes, indeed, they were broken or missing altogether, leaving holes that Toto jumped across and Dorothy walked around.



Na een paar uur lopen, begon de weg erg slecht te worden. Lopen werd zo lastig, dat de vogelverschrikker dikwijls struikelde over de gele stenen. Die stenen waren soms gebroken of ontbraken zelfs helemaal. Toto sprong over de kuilen en Dorothy liep eromheen.


(Hooijmeijer, 2009)



Na een paar uur begon de weg moeilijk te worden en het lopen werd zo lastig dat de Vogelverschrikker vaak struikelde over de gele bakstenen die daar heel ongelijk lagen. Soms waren ze zelfs gebroken of ontbraken helemaal, waardoor er kuilen waren waar Toto overheen sprong en Dorothy omheen liep.

(Van Altena, 2009)



Voor het gekozen idioom geldt hetzelfde: Hooijmeijer blijft zo dicht mogelijk bij de Engelse brontekst. Namen als "Munchkins", "Quadlings" etc. worden niet vertaald. Maar ook hier gaat de esthetiek soms verloren. Bovendien sluipen af en toe oubollige woorden in de tekst, zoals "gereed", "teneergeslagen", "gouden baret" ("golden cape") of "de magische kunst van de grote bedrieger" ("the magic art of the great humbug"). Op enkele al te stramme constructies ("ze keken in de rondte") of zeemzoeterige wendingen ("ze sliepen met de sterren als dekens") na, stoort dit niet erg, doordat het ergens bij de sfeer van het klassieke sprookje past. Wel vormt dit een hogere leesdrempel: minder goede lezers zullen sneller afhaken. Ook de drukke bladspiegel draagt hiertoe bij.

De illustraties van Harmen Van Straaten slagen er niet in de tekst tot een hoger niveau te tillen. De afgebeelde personages zijn vrolijk, sympathiek en tekstgetrouw, maar missen charme en betovering. Voor een groot deel is dit echter te wijten aan de vormgeving: de illustraties, oorspronkelijk in aquarel, worden in zwart-wit afgeprint en verliezen zo aan kracht. Enkel in het midden van het boek, waar zeven illustraties na elkaar in kleur en paginagroot opgenomen zijn, komt Van Straatens stijl tot zijn recht. De overige tekeningen staan slordig tussen de tekstblokken in, waardoor ze vooral lijken te dienen om de bladzijde op te vullen dan dat ze een verdieping van de tekst nastreven.

De wonderlijke tovenaar van Oz is zonder meer een degelijk werk dat de oorspronkelijke sfeer tot op zeker niveau benadert. Deze vertaling evenaart de literaire kracht en de schoonheid van de betoverende klassieker niet, wat versterkt wordt door de keuze van de uitgeverij om op de vormgeving te beknibbelen.



De derde versie ten slotte is Henri Van Daeles bewerking. De nadruk ligt duidelijk op de esthetische waarde. Het resultaat is een vlotte, welluidende, mooie tekst. In tegenstelling tot Van Altena doet Van Daele meer zijn eigen ding met de oorspronkelijke tekst. De titels worden sterk ingekort, dialogen tot de essentie herleid, enkele drammerige uitweidingen zoals Baums uitleg over de structuur van een wervelwind geschrapt en de meeste langere zinnen worden drastisch herschikt en/of ingekort:



When Dorothy was left alone she began to feel hungry. So she went to the cupboard and cut herself some bread, which she spread with butter.



Dorothy had er honger van gekregen.

Ze liep naar de kast en sneed brood.




Van Daele voegt ook dingen toe. Vage, impliciete verbanden worden extra in de verf gezet en sterk beschrijvende passages worden door middel van dialoog opgefrist. Dergelijke aanpassingen komen de levendigheid en de duidelijkheid van de tekst ten goede, maar nemen een deel van de authentieke sfeer weg. Dit geldt ook voor de woordenschat. Van Daele kiest voor een welluidend, literair jargon. Zijn zoektocht naar 'het betere woord' gaat soms erg ver: "tot het besluit komen", "gadeslaan", "gemoed", "goedhartig" en "plezierig" passen nog enigszins, maar vertalingen als "terstond", "gezwind", "ten beste pleiten", "verkieslijk", "revérence" en "de bijl wetten" zijn dweperig en gekunsteld. Door de sterke focus op de esthetische kwaliteit van de tekst komt de wonderbaarlijke, sprookjesachtige sfeer van het origineel minder tot haar recht. Het boek is niet geïllustreerd en is dus, mede ook door het sterkere literaire karakter van de tekst, vooral voor goede lezers weggelegd. De uitgave is zeer verzorgd: een overzichtelijke bladspiegel nodigt uit tot lezen en de gele cover is eenvoudig maar aanlokkelijk. De illustratie van Jan Bosschaert spreekt kinderen ongetwijfeld aan, maar past absoluut niet bij de sfeer van het verhaal. De figuren die op de gouden bakstenen weg tussen de gele velden wandelen lijken haast tekenfilmfiguurtjes. Vanuit commercieel standpunt een slimme zet; vanuit de vraag naar het omgaan met en respect voor klassiek werk is dit bedenkelijk.



Keren we tot slot nog eens terug naar de vraag van de waarde van dit 'overaanbod'. Zijn drie vertalingen naast elkaar nodig? Niet echt. Zijn ze echter wenselijk? Zolang elke vertaler en illustrator zijn positie ten opzichte van het origineel duidelijk inneemt en consequent doorvoert, wel. Enkel dan heeft elke nieuwe vertaling een eigen waarde en spreekt ze een eigen doelpubliek aan. En dat is uiteindelijk toch de bedoeling van hertalingen van klassiekers: het verhaal onder de aandacht blijven brengen van zoveel mogelijk kinderen en volwassenen. [Marit Trioen]
Copyright (c) Vlabin-VBC20091231http://www.deleeswelp.be