Beschrijving

Het ding en ik

Boek
Nederlands
Uitgegeven
door Querido in
Samenvatting
Tijdens een middagje strandjutten ontdekt een jongen een mysterieus ding. Niemand kan hem vertellen wat het is of waar het thuishoort, en niemand lijkt het te missen. Samen met het ding gaat de jongen op zoek naar een passende thuis.

Recensie

Het ding en ik

Annie Beullens, 22 januari 2015
De ondertitel van dit mysterieuze (prenten)boek is allesbehalve wervend. De achterflap is dat al meer. Het is een tekst op een prentbriefkaart aan een zekere Peter. Daarin wordt hij terloops melding gemaakt van het vinden van 'een ding'. Het boek heeft een stempel gekregen van het 'Ministerie van Weten en Onthouden' dat als devies heeft 'Warum warum' en van het 'Minsterie van Moeten en Mogen' met als slogan 'darum darum'. De achtergrond waarop de prenten getekend zijn, bestaat uit vergeelde bladzijden uit een handboek voor thermodynamica. De tekst is geschreven op bladzijden uit een lijntjesschrift.
De ik-figuur - Shaun Tan zelf? - zit in een wagon van een trein of metro. Hij vertelt wat er een paar zomers geleden op het strand gebeurde. Zoals altijd was hij op zoek naar kroonkurken voor zijn collectie, waarvan je een aantal gerangschikte exemplaren op het schutblad ziet. Hij ziet tussen de badgasten en de restanten van afvoerpijpen een bruin ding. Het ding hoort daar op het strand niet thuis, dat is duidelijk. Maar wat is het? Op het eerste gezicht zou je zeggen een koffie- of theepot met iets wat op kreeftenscharen lijkt en met stekels. Het is in ieder geval een vriendelijk ding: je kan ermee spelen, het kan lopen, zandkastelen bouwen. Naarmate de dag vordert, komt de ik-figuur tot de vaststelling dat het ding verloren en verlaten is. Niemand kan hem helpen om het ding thuis te brengen. De mensen zijn trouwens allemaal met hun eigen zaken bezig en niet erg behulpzaam. Ze staan tussen machines, drukmeters en afval. Bovenaan zie je een reeks kleine negatieven met iets wat op rookpluimpjes lijkt. Hij gaat met het ding naar zijn vriend Peter (die van de prentbriefkaart). Peter is de enige kleurrijke figuur in de voor de rest grauwe omgeving. Peter denkt dat het ding onder het label 'nergens thuis' hoort. De ik-figuur neemt het ding bij een pootje en het dribbelt groot en log achter hem aan. Bizar genoeg merken zijn ouders het ding, dat nochtans de helft van de woonkamer inpalmt, niet op. Pas als de jongen hen erop attent maakt, reageren ze. 'Heeft het zijn voeten geveegd?' vraagt zijn moeder. 'Heeft het geen rare ziektes?' vraagt zijn vader. Het ding komt uiteindelijk in het schuurtje terecht. De jongen ontdekt wat het graag eet; kerstversiering lijkt zijn lievelingskostje. In advertenties wordt nergens melding gemaakt van verloren huisdieren of andere bewegende dingen. Tussen allerlei mededelingen ziet de ik-figuur in de krant wel een mededeling van het Ministerie van 'Resten en Overschotten' met als motto 'veegut onderut carpetae'. Hij denkt dat het ding daar misschien wel terecht kan. Tussen rijen en rijen ambtenaren stapt hij met het ding. Niemand kijkt ervan op. In een kantoortoren zonder ramen moet hij eerst papieren invullen. Het ding maakt een verdrietig geluidje en puft dampwolkjes uit zijn tuit of schoorsteen. Een stem waarschuwt hem dat op deze plek achtergelaten, uit de weg geruimd, vergeten wordt. Hij krijgt een papiertje waarop een kronkelige pijl staat. De jongen gaat met het ding naar buiten en volgt de pijl. Zo dwalen ze door de stad tot ze een knop zien met dezelfde pijl op. Als je erop drukt, zwaait er een poort open. Voor hen ligt een zonnig plein met heel veel vreemde dingen. Het ding lijkt thuisgekomen. Of het daar echt gelukkig zal zijn, blijft een open vraag.
In dit boek wandel je mee in een bevreemdende wereld tussen in verval geraakte fabrieken en schroot. Het lijkt een kille, roestige wereld van ijzer en beton. Alleen de ik-figuur schijnt het ding op te merken. Trouwens, sinds hij het ding wegbracht, ziet hij steeds minder vaak vreemde dingen, merkt hij. Hoe dat komt, wordt aan ieders verbeelding overgelaten. Op de tekeningen zijn heel veel details te zien en te lezen. Dit is een grappig, intrigerend, humoristisch en surrealistisch verhaal. Eerder geschikt voor volwassenen en adolescenten.
22 januari 2015© Pluizerhttp://www.pluizer.be
Toin Duijx
De hoofdpersoon (ik-figuur) van het verhaal ziet, terwijl hij op zoek is naar kroonkurken voor zijn verzameling, een ding dat nogal eigenaardig is. Het lijkt op een theepot, maar heeft ook elementen die van een inktvis kunnen zijn. En het ding is van niemand; het staat er maar verloren bij. De hoofdpersoon neemt het ding mee naar huis, maar zijn ouders vinden dat maar niets. Uiteindelijk weet hij een goed onderkomen voor het ding te vinden. Zeer bijzonder, absurdistisch prentenboek van de winnaar van de Astrid Lindgren Memorial Award 2011 en wereldberoemd vanwege o.a. ‘De aankomst’*. ‘Het ding en ik’ behoort tot zijn vroegere werk (2000) en is ook door een duidelijk chronologisch verteld verhaal meer toegankelijk (ook dankzij een uitstekende vertaling). Zowel in tekst als beeld is veel humor verwerkt. In de illustraties, die ware kunstwerken zijn, zijn veel verwijzingen te vinden naar objecten en stijlen uit de kunstwereld. De achtergrond bestaat uit collages van de meest bizarre instrumenten uit vakboeken. De korte, handgeschreven tekst staat in kaders onder de illustraties. Een boek dat al veel eerder vertaald had moeten worden en dat klein en groot zal weten te boeien. Het prentenboek is verfilmd en met een Oscar bekroond voor beste korte animatiefilm. Vanaf ca. 5 jaar.
© NBD Biblion
Op een dag als alle andere is de ik-persoon, zoals altijd, kroonkurken aan het zoeken op het strand. Als hij opkijkt van zijn bezigheid, ziet hij het ding. Het valt hem op in de drukte van het strand want het ziet er ‘een beetje verlaten uit. En verloren. Niemand leek te zien dat het er was.’ Vreemd is dat wel, want het ding lijkt in niets op hetgeen hem omringt: rood, bol en enorm in vergelijking met zijn grijze omgeving – het ‘strand’ ziet er nogal industrieel uit, met veel roestig metaal en beton, en richtingaanduidingen over en weer. De ik en het ding brengen samen een prettige middag door en als eens te meer blijkt dat het ding echt nergens thuishoort, neemt de ik het mee. Omdat zijn ouders het ook niet willen, verbergt hij het in het schuurtje. Tot hij een advertentie in de krant ziet van het ‘ministerie van restjes en overschotten’, dat een ‘passend vakje’ heeft voor onbestemde zaken, ‘naamloze prullaria’ en andere ‘randgevallen en curiosa’. Hij heeft alle formaliteiten al vervuld, als de ik het advies krijgt het ding niet achter te laten in de vergeetput van het ministerie. Hij krijgt een kaartje met een teken, dat hen uiteindelijk op een plek brengt waar het ding gerust kan blijven. Of het daar ook echt thuis is, is niet zeker, maar het ziet er niet slecht uit. En dus gaat de ik zelf terug naar huis, want de verzameling kroonkurken moet nog worden geordend.
Dit is wat er in de wereld van Shaun Tan kan gebeuren wanneer een onaangepast element in een geordende en geregelde wereld terechtkomt. De verzameling kroonkurken op de schutbladen, geeft hiervoor mooi de context mee: tussen de kroonkurken in een strakke formatie uitgelegd, allemaal voorzien van formules, pijltjes en schemaatjes etc., zit er eentje bij dat opvalt van kleur, waarop een soort wolkje geschilderd is. Een sliertje van een of ander, iets onbepaalds, onbestemds dat in beweging is. Deze wolkjes zitten door het hele verhaal in de prenten, ze komen als rook uit de vele schoorstenen van de geïndustrialiseerde stad, worden door het ding zelf geproduceerd, hangen overal in de lucht. Op een paar bladzijden vat Shaun Tan de sliertjes in aparte, opeenvolgende kadertjes, die op de spreads vol statische drukte, een vorm van beweging, van een vage evolutie aangeven. Meer dan een suggestie is het niet, die je mogelijk op een denkspoor zetten.
The Lost Thing dateert van 2000 en Tans thema’s kennen we intussen uit De aankomst, De rode boom of Verhalen uit een verre voorstad. Dat dit boek opnieuw over identiteit, eenzaamheid, onaangepastheid, thuiskomst gaat, mag niets aan de aantrekkingskracht ervan afdoen. Het fijne bij Tan zit ‘m telkens opnieuw in de manier waarop tekst, beeld en mogelijke betekenis samengebracht worden. En hoe langer je kijkt, hoe meer je ziet.
Tekst en prenten staan tegen een achtergrond van technische en formeel aandoende, ambtelijke teksten allerhande. Vaak meerdere beelden per dubbele bladzijde, los van elkaar geplaatst. De tekst staat in kleine fragmentjes van soms slechts één zin op witte strookjes. Vignetten, of nota’s, zeg maar. De inhoud van de teksten op de achtergrond is slechts bij momenten duidelijk en is ook vaak onvertaald gebleven. Maar wat je kunt lezen neem je mee in je lectuur. Zoals deze, voor degenen bij wie er geen stop op de ideeën zit: ‘Stel uzelf in honderd woorden voor’ en ontvang een ‘spaarpunt’ voor elk bruikbaar idee. Of het belangrijke bericht over de bout die ontbreekt in de ‘messen-unit van alle modellen 350A van de Deluxe Hak & Prak Rodekoolmolens’, en die je mits je de ‘bijbehorende toelatingsverklaring en het registratiebewijs’ voorlegt, kunt inruilen. In een wereld als deze is een rood, bol en ongeïdentificeerd ding niet op z’n plaats. U wel? Het fragmentarisch samenbrengen van tekst en beeld in dit boek, krijgt op de achterflap een uitbreiding naar het oeuvre van Tan met een kaartje over een gevonden ding, van Shaun aan Peter uit Verre Voorstad. Dit boek, zoals ook Tans andere, wordt grotendeels gedragen door de beelden. Het belang en de betekenis van de tekst wordt gerelativeerd: ‘Zo. Dat is het hele verhaal. / Het graaft niet heel diep, dat weet ik, maar dat heb ik ook nooit beweerd. / Vraag me ook niet of er iets uit te leren valt.’ Veel is niet te ‘zeggen’ — of te schrijven —, maar het kijken naar de samenhang van woorden en beelden, het zoeken en puzzelen zorgt voor een trage lectuur, die keer op keer anders kan zijn. Bovenop en over formalisering en reglementering heen, ligt alles open. Telkens opnieuw. [Jen de Groeve]
Copyright (c) Vlabin-VBC20130331http://www.deleeswelp.be