Beschrijving

Recensie

Ans Mooijenkind-in 't Hol
Na een proloog waarin een gevleugelde gestalte dobbert in het water bij de sluis, komt de gelegenheidsregisseur van een grillig amateurtoneelgezelschap aan het woord, teneinde - naar zijn inzicht - waarheidsgetrouw verslag te doen van de gebeurtenissen rond een reeks voorstellingen van de (echt bestaande) musical 'Pippin' (Broadway, 1972), voorstellingen die gepaard gingen met gekrakeel, misverstanden, gefnuikte ambities en, uiteindelijk, met een onomkeerbare finale. Of toch niet? Hoogstraaten zelf (1953) put hier uit zijn eigen ervaringen met het amateurtoneel, en blijft ondanks de introductie van een alter ego het hele verhaal door hinderlijk aanwezig. In zijn beste momenten doet de schrijftrant denken aan die van 'Het Bureau' van J.J. Voskuil, waar de hoofdpersoon ook met al zijn pietluttigheden bij zijn vrouw komt klagen, die hem vervolgens vanachter haar leesbril streng tot de orde roept. Debuutroman voor een gemengd lezerspubliek. Vrij kleine druk.
© NBD Biblion
Wie vleugels heeft van Gerrit Hoogstraaten is geen alledaagse roman. Het verhaal speelt zich af in de amateurtoneelwereld, waarbij een freelanceregisseur in een groep ‘bevriende’ toneelspelers de musical Pippin van Stephen Schwartz en Roger O. Hirson moet regisseren. Aan het begin van het boek wordt de intermenselijke spanning, de nijd en afgunst tussen de acteurs-die-zich-vrienden-noemen al opgebouwd. De grens tussen interne werkelijkheid van de roman enerzijds en het opgevoerde toneeltje (musical) binnenin de plot wordt vaag. Het toneel gaat immers over Pepijn, zoon van Karel de Grote, een verhaal vol moord en doodslag. De toneelrol wordt verweven met de acteurs en dit verhaal in het verhaal maakt het boek driedimensionaal en dus extra boeiend. Het dreigende voorwoord van één pagina, waarin een sluiswachter een lijk vindt in het kanaal, blijft het hele boek als een donkere wolk of een zwaard van Damocles boven het hoofd hangen. Wat die proloog daar staat te doen, wordt aan het einde pas duidelijk, maar door dit van in het begin naar voren te brengen, en door er de lezer tussendoor af en toe ook nog dreigend aan te herinneren, word je het ganse boek in spanning gehouden.
De uitweidingen over toneeltechnische aspecten zouden door de minder kritische lezer als bladvulling afgedaan kunnen worden, maar ze dragen toch wezenlijk bij tot de opbouw van het verhaal. Maar deze passages zouden voor de gelegenheids- of ontspanningslezer een brug te ver kunnen zijn. Vanuit de ik-persoon (de aangezochte regisseur) worden de personages (de acteurs in de musical) psychologisch uitgediept. Je kunt daarom gerust stellen dat dit een ontwikkelingsroman is waarbij het psychologische kat-en-muisspel tussen protagonist en antagonisten de feitelijke plot uitmaakt en waarbij de hoofdpersoon door contemplatie zichzelf bekritiseert, als een recensent van het toneelstuk waarin hij dan zelf de hoofdrolspeler is. Het amateurtoneelstukje is met andere woorden een kapstok voor deze uitdieping. We krijgen een mooi inzicht in de machinaties die kunnen spelen bij amateurtoneel. Gekonkel, intriges die kunnen leiden tot drama’s, net zoals in de professionele wereld. Deze ogenschijnlijk ‘zachte setting’ (wat is er lieflijker dan een dorpstoneel?) werkt mooi contrasterend met het vreselijke drama (het lijk in het kanaal) dat zich van in het begin openbaart. Langzaamaan wordt dan naar een climax gewerkt, net zoals in het toneel zelf de hoofdpersonages proberen te vliegen naar de zon, uit hoogmoed. Deze parallel ontwikkelt zich tot een mooie allesomvattende stijlfiguur. Wie vleugels heeft staat op de voorkaft omschreven als een roman, maar kan evengoed als literaire thriller gelden van een niveau dat verhevener is dan de doorsnee misdaadroman. [Jurgen Demeester]
Copyright (c) Vlabin-VBC20140731http://www.deleeswolf.be