Beschrijving

Recensie

Jan van Ruusbroec was een twaalfde-eeuwse mystieke schrijver uit het Nederlands taalgebied, meer bepaald uit het Vlaams-Brusselse deel ervan, priester-kapelaan van Sint-Goedele, kluizenaar in het Zoniënwoud en ten slotte prior van het klooster van Groenendaal. Vanaf het begin van de twintigste eeuw worden zijn geschriften en vooral zijn hoofdwerk, Die geestelike brulocht, voorwerp van onderzoek. Vooral vanuit het Antwerpse Ruusbroecgenootschap werd er heel wat gepubliceerd. Klaas Blijlevens, een pater kapucijn, selecteerde, hertaalde veertig teksten uit dit werk en voorzag ze van commentaar.
Hij sluit aan bij de basisstructuur die Ruusbroec zelf duidelijk voorstelt: in hoofdstuk een en twee krijgt de lezer meteen de indeling in drie niveau’s: werkend, innig en schouwend leven, meteen de drie delen van dit boek. In elk deel beschrijft Ruusbroec de vordering van een zich ontplooiend geestelijk leven aan de hand van het gekende Schriftwoord ‘ziet (1), de bruidegom komt (2), gaat uit (3), om Hem te ontmoeten (4). Uit het eerste deel neemt de auteur twaalf teksten over, uit het tweede deel drieëntwintig, en het derde deel werd volledig opgenomen. Na elk hoofdstuk wordt een tekst opgenomen uit Begijnen, het laatste werk van Ruusbroec.
De werken van deze Brabantse mysticus, die het leven ziet als een ‘adventsreis van het leven op weg naar een ontmoeting met God’, behoren samen met Beatrijs en Hadewijch tot de wereldliteratuur op vlak van spiritualiteit. Voor de moderne lezer is het tegelijk een confrontatie met de vraag wat zo’n visionaire droom uiteindelijk betekent. Mystieke literatuur is inderdaad geen theologische verhandeling, het zijn reflecties over ervaringen ‘waar zelfs geen woorden voor bestaan’. De voortdurende ‘godservaringen’ van de mysticus gaan niet via beelden of teksten of welke media ook, ze zijn ‘directe ervaringen’. Het is een aangeraakt worden door God in de minne.
Ruusbroec ziet het leven als een uitnodiging voor een bruiloftsfeest (brulocht), waarvoor men zich dient klaar te maken door de minne te beoefenen. En ook wanneer de moderne mens dit niet meer begrijpt: alles is teken van Gods’ genade. God heeft ons het eerst liefgehad, mystiek is onze overgave aan deze liefde die in Christus duidelijk werd en in de Geest beleefd kan worden. Toch blijft Ruusbroec, tegen alle rationele bezwaren in, stellen dat ‘de hoogste kennis is te begrijpen dat God onbegrijpelijk is’. Naar analogie met de seizoenen zijn er hoogte- en laagtepunten in de mystiek. De dorre periodes zijn ook zinvol als doorgroeifase.
Dat de mediterende mens vaak tot een grotere innerlijke vrede komt, dat weten onder meer ook de Boeddhisten. Maar hier is toch sprake van een dynamisch godsbeeld: God is vragende partij, hij geeft minne en ontvangt dringend minne terug. De moderne lezer zal hier wellicht het hoofd fronsen, tenzij hij met een zekere openheid naar het ongekende mysterie van het leven kijkt, niet alleen bij het agnosticisme ophoudt, maar inziet dat méér dan zijn verstand te gebruiken, de mens in staat is tot liefhebben. Bij Ruusbroec is het een onstilbaar hunkeren dat nooit tot volle bevrediging komt. Het is dus een puur ervaren, bewust, maar niet te bevatten. Na deze hoofdstukken voegt de auteur nog enkele ‘aantekeningen’ toe van Ruusbroec uit de Groenendaalse codex, die ons een inzicht geven van de pastor die hij is geweest.
Al lezend voelt men zich in een soort ‘ingebeelde wereld’ opgenomen, waar de rationele mens zich weleens aan ergert. Soms ontdek je woorden die te affirmatief zijn, alsof de mens een analyse van God kan maken, maar tegelijk besef je de overdrachtelijkheid van woorden: verwoorden waar geen woorden voor zijn. Dat is ook diepmenselijk, zoals in de liefde. Ietwat eigenaardig is het verslag van Blijlevens, die, in slaap gevallen, droomde dat hij een gesprek had met Ruusbroec, waarin hij aangeeft dat hij de mysticus begrepen heeft. Voor de lezer zal het wellicht iets meer inspanning kosten. [Jan Scheers]
Copyright (c) Vlabin-VBC20131115http://www.deleeswolf.be