Beschrijving

Grote Europese roman

Boek
Nederlands
Uitgegeven
door Meulenhoff/Manteau in
Samenvatting
In een jonge en een oudere man uit de reclamewereld ontmoeten Europees verleden en Europese toekomst elkaar.

Recensie

Jos Radstake
Al in de titel van deze roman van de Vlaming Koen Peeters zit een verwijzing naar The Great American Novel, de roman waarin via 'gewone' mensen het Amerikaanse levensgevoel wordt opgeroepen. Toevallig of niet, de roman van Peeters verschijnt tegelijk met de viering van 50 jaar Europa. Hoofdpersonen zijn twee mannen die in de reclame- en relatiegeschenkenwereld werkzaam zijn (het jargon wordt terdege geïroniseerd). De een is oud en wil zijn bedrijf achter zich laten. In hem komt een schrijnend joods-Europees verleden tot leven. De ander is een naar liefde hunkerende, jonge, briljante werknemer die een grensverleggend rapport over marketing in het nieuwe Europa moet schrijven en daartoe Europese hoofdsteden afreist. Veel belangrijker blijkt de kleine geschiedenis van deze mensen. Het notitieboekje waarin de naar liefde hunkerende onderzoeker kleine taalobservaties en ontmoetingen noteert, wordt belangrijker dan het grote rapport. Verleden botst in deze roman op toekomst. Deze roman over Europese 'levensgevoel', in opzet en uitwerking wel eens schematisch, is sympathiek. Vrij kleine druk.
© NBD Biblion
Met zijn Grote Europese roman zoekt Koen Peeters aansluiting bij de Great American Novel, het genre van het totaalwerk dat in één boek (of in een reeks boeken) een beeld moet scheppen van een land, een continent en zijn bewoners. In de 'Opdracht' bij zijn roman legt Peeters zijn bedoeling bloot: "Groots en episch moet die de geschiedenis van de Europese mensheid samenvatten, maar dan vanuit het kleine perspectief van mensen die werken of leven in Brussel." De Belgische hoofdstad als draaischijf van een onomkeerbare stap naar een toekomst, die hoe dan ook niet vastligt of in duidelijk omschreven begrippen voorspeld kan worden.
Groots en episch?
De optelsom van steden
Binnen een kaderverhaal, opgebouwd rond hoofdfiguren Theo Marchand (de naam 'Marchand' is de Peeters-constante, zie o.m. Bezoek onze kelders (Meulenhoff, 1991) en vertellende ik-figuur Robin, neemt Koen Peeters zijn lezers in zijn Grote Europese roman mee op een tocht langs 36 Europese hoofdsteden (een opbouw die verwijst naar Primo Levi's roman Il sistema periodico ? die trouwens letterlijk in het boek wordt aangehaald), van Bern tot Ankara, met aandacht ook voor de kleinste en recentste onder hen, zoals Podgorica ("Montenegro ? sinds kort hebben ze er weer een landje bij in Europa"). Verkeerdelijk kan hier de indruk worden gewekt dat Peeters' roman een soort reishandboek zou moeten voorstellen. Dit is geenszins het geval: vaak immers wordt een hoofdstad alleen via associaties bezocht en even in beeld gebracht. Neem Lissabon, dat alleen aan bod komt omdat Robin het verhaal te horen krijgt dat twee Portugese arbeiders verongelukt zijn bij de constructie van het torengebouw waar zijn firma is gehuisvest; of het reeds geciteerde Podgorica en Montenegro: in Sint-Gillis, in de buurt van het Brusselse Zuidstation, loopt Robin even door de Montenegrostraat en legt hij het verband met het nieuwe Europese land. Toch wordt er veel en vaak gereisd in het boek: letterlijk, wanneer Robin voor zijn opdracht de hoofdsteden aandoet, figuurlijk in de verbeelding, wanneer het persoonlijke verleden van werkgever Theo aan de orde is. Robin ziet, ervaart, slorpt gulzig op wat op hem afkomt, en vooral: hij noteert. Over Parijs bv.: "En vooral bestaat Parijs hieruit: de scherpe blikken die Parijzenaars elkaar toewerpen. Dat kijken. Het aankijken met grote pupillen. Het controleren of je nog bekeken wordt." En van op de Eiffeltoren neerkijkend op de stad: "En overal de stad: doorgezaagde botten, cellichamen met daartussen boulevards." Peeters toont zich hier de attente observator die als geen ander in een pregnant beeld de sfeer weet te vatten, vaak ook een beeld waardoor hij kritisch aankijkt tegen wat de hoofdsteden te bieden hebben. Wat Robin treft bv. bij zijn bezoek aan Warschau: "Het oude stadsgedeelte van Warschau, een reconstructie van versuikerde Anton Pieck-architectuur."
Robin gaat als prille dertiger op zoek naar wat Europa zou kunnen zijn. De opdracht die hij van Theo Marchand kreeg is (relatief) eenvoudig: voor de federatie van geschenkenschenkers (de CSP, ooit de Cooperative Society for Promotions, of Chambre syndicale de la Publicité, maar thans, binnen het internationaliseringsproces dat niet te stuiten valt: Communications & Sales Partnerships) moet hij in de Europese hoofdsteden zoveel mogelijk zakelijke contacten leggen die het bedrijf onze 21e eeuw moeten binnenloodsen. Voor Koen Peeters een ideale opstap om het wereldje van zakenlunches, zakenconferenties en symposia allerhande door te lichten, dat wereldje van reclamemakers en reputatiebehartiging, van "geparfumeerde lucht, leegheid, gladheid." Badinerend, o.m. door het relaas van Robins ontmoetingen met de vrouwelijke zakenpartners en gidsen, doorprikt Peeters die artificiële wereld van reclamemakers en geslepen zakenlui. Al bij al blijft de roman op dit niveau monkelend-ironisch, zonder echt uit te groeien tot een veroordeling of aanklacht. In Luxemburg bv. wordt Robin aangeklampt door een fantast, die een Europees bergenspel heeft ontworpen, 'Montepolis' (naar analogie van het overbekende Monopoly-spel): een gedroomde invalshoek voor de schrijver om, in de marge ervan, even de hoogste punten van elk land op te sommen.
Europa als constructie
Blijft hier, aansluitend uiteraard aan de prestigieuze titel van de roman, de Europese dimensie van Robins onderzoeksproject. Van opdrachtgever Marchand krijgt Robin een Moleskine-schriftje mee, waarin hij zijn bevindingen moet noteren. Peeters wendt dit verhaalmotief aan als structuurelement voor het grotere geheel. Robin noteert aanvankelijk vooral woorden in de vreemde talen waarmee hij geconfronteerd wordt. Als een soort verzamelaar (een motief dat ook al in Peeters' vorige romans nadrukkelijk aanwezig was) noteert hij woorden die hem persoonlijk aanspreken (wat is het woord voor 'ooievaar', 'wind' of 'klaproos'?), woorden die later in een breder verband worden geplaatst en langzaam uitdijen naar zijn groter relaas over wat Europa zou kunnen betekenen. Hier noteert Peeters bijzonder boeiende ideeën over taal, over communicatie en al wat erbij komt kijken, van het concrete tot het meer algemene, filosofisch gekleurde. Op het concreet aanwijsbare vlak bv. heeft hij het over de betekenis van woorden die iedereen kent, maar die nauwelijks nog tot hun oorspronkelijke betekenis kunnen worden teruggebracht: 'Zorro' betekent 'vos', 'Vespa' is voor Italianen ook 'wesp' en 'Kafka' is Tsjechisch voor 'kraai'. Weet­jes uiteraard, maar in de roman degelijk onderbouwd door Robins verdergaande interesse voor alles wat met taal te maken heeft. Vandaar bedenkingen als deze: "Ik houd van een vreemde taal die voelt als een koud lichaam. Net zoals omleidingen of technische problemen zijn ze wellicht bedoeld om ons trager te doen lopen, om beter te luisteren, misschien ook om ons blijvend te voeden met vervreemding."
Blijft hier dan nog de vraag in hoeverre Koen Peeters (ook) een visie over Europa weet te verwoorden. Verspreid over de roman legt hij zijn personages een aantal uitspraken en bedenkingen in de mond over wat Europa is en zou kunnen zijn. Die zijn zo terloops genoteerd dat de lezer uiteindelijk zelf, net zoals de roman een optelsom is van steden, zelf de draden moet bijeenbrengen. Ironisch bv. luidt het zo: "Europa is iets van vlagjes, mutsjes, linten. De taal van het volk gemengd met de taal van gezagsdragers, en dat gevoed door streekgerechten en gedoopt met het water van Mannekes Pis." En vanuit een dieper aanvoelen: "Misschien waren de postzegels van Europa als de landen van Europa: in beweging, gespannen, als lange mensenstromen langs de weg." Of verder, zoals het zou kunnen zijn voor iemand als Theo Marchand: "Europa is dat zootje ongeregeld dat elkaar sinds eeuwen verovert, liefheeft en vermoordt in campagnes met vlaggen. Het is het mengvat, de smeltpot, de stoofpot. Europa is Goethe en Vergilius, Napoleon en Hitler. En het is de enige liefdevolle thuishaven die hij voor zichzelf kon bedenken. Als een beschermende tent, die onderaan naar alle kanten open was."
In zijn psychologische uittekening van Theo Marchand legt Koen Peeters misschien wel het fundament voor zijn Europese visie. Blijkt immers dat Marchand een Litouwse jood is, wiens vader bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zelfmoord pleegde, niet nadat hij voor zijn zoon een 'zakelijke' toekomst had uitgetekend. Ouder geworden gaat Marchand de weg terug, op zoek naar wat zijn leven heeft getekend. Gaandeweg raakt ook Robin, die zelf nooit de gruwel van het nazisme heeft meegemaakt, doordrongen van het besef dat wat Europa tekent, de oorlog is. Auschwitz, het Anne Frank-huis in Amsterdam en, dichter bij ons, Breendonk: het zijn de littekens op de kaart van Europa. Europa, "dat zijn de namen van de doden op onze gezamenlijke kerkhoven", en vooral: "Het is verboden te vergeten. Vergeten is onmogelijk. Want als je echt iets wilt vergeten, noem je het toch en staat het midden in de aandacht.' Heel betekenisvol is het feit dat Peeters deze bedenkingen noteert in een dialoog tussen Robin en Esther, de vrouw met wie hij ooit op een Italië-reis een vluchtig avontuurtje beleefde waaruit hun dochter Astrid werd geboren.
En België
"Een mens kan daar veel uit leren: het vogelperspectief, het reizen om te leren...": in zijn 'Envoi', de klassieke afsluiter voor een groots opgezet werk, neemt Koen Peeters nog eens, voor zover het voor de lezer niet duidelijk mocht zijn, nadrukkelijk positie in. Kijken vanuit vogelperspectief (vandaar ook Robins uitgesproken interesse voor namen van vogels in de Europese taalsymfonie) naar wat wel eens de essentie van de Europese constructie zou kunnen zijn. Daarover gaat Peeters Europese roman. Met niet te vergeten die mooie typering van wat wij, Belgen, wel eens zouden kunnen zijn in dit geheel: "Zwart, geel en rood zijn de kleuren van dit land met zijn mist, zijn zachte lelijkheid. De inwoners ervan zijn een beetje afstandelijk, een beetje vrolijk. Zij zijn beleefd en altijd een beetje saai. Zij zijn klein geschapen. Niemand houdt van hen, maar er is ook niemand die hen haat. Dit land is de ultieme zelfspot, de plagende, niet-passionele liefde, een taalspel." [Jooris Van Hulle]
Copyright (c) Vlabin-VBC20071231http://www.deleeswolf.be