Beschrijving

Recensie

Albert Hagenaars
Nee, dit project van de Vlaamse dichter Kurt De Boodt (1969) blijft helaas boeiender als vormonderzoek dan als poëzie. 'Minnezang' bestaat uit één lang gedicht van korte tot zeer korte regels die zonder leestekens ook één lange zin vertegenwoordigen. Wel staan er, hard nodig, op elf plaatsen witregels met een ster in het midden die voor een pauze zorgen. Toch slingert de sliert van woorden (die weinig hiërarchie toestaan) zich meestal over meerdere pagina's heen. Dit alles zou niet eens een bezwaar hoeven te zijn als de middelen strategischer op elkaar waren afgesteld. Daar is evenwel nauwelijks sprake van. Zomaar een greep: 'joechei zee van tijd / zonneretourtje / lang leve alom / vullende leegte / gewichtloze zen / toestanden reuze' enzovoort. De onophoudelijk opspringende associaties verstikken op teveel plaatsen de wel degelijk aanwezige inventieve toepassingen van andere aard. Hoewel de dichter inderdaad 'naar de sterren reikt', weet hij de lezer geenszins in 'zangen met kosmische allures' te betrekken. De afstand tussen bedoeling en doel blijft onoverbrugbaar groot.
© NBD Biblion
Kurt de Boodt is een dubbele dichter, zou men kunnen zeggen. Aan de ene kant schrijft hij sterk gestructureerde en gecontroleerde lyriek; vooral in zijn eerste bundels overwoog die uiterste zorg voor het precieze woord, voor het gedicht als een eigentijds embleem. Niet toevallig bood de beeldende kunst vaak een aanleiding om de spanning tussen voorstelling, sfeer en bewustzijn op een evenwichtige, maar tegelijk complexe wijze vorm te geven. Aan de andere kant geeft de dichter ook steeds meer ruimte aan de ontregeling, aan het groteske, aan het surrealistische. Ook hier vormt de beeldende kunst vaak een directe inspiratiebron.
In zijn jongste bundel brengt de dichter die twee zijden van zijn oeuvre samen op een bijzonder gedurfde wijze. Minnezang is wat het zegt: een lange hymne aan de liefde. In een reeks zangen gaat het over de kracht van de minne. Dat De Boodt zijn toevlucht neemt tot dit verouderde woord, is overigens geen toeval. ‘Minne’ is een kernbegrip bij mystici uit de middeleeuwen — zoals bij uitstek bij Hadewych. Binnen de mystiek staat het voor de verhouding van God tot de mens. God is de minne, maar tegelijk is de minne ook de complexe en tegenstrijdige ervaring van de liefde; die is immers in principe (gezien de onbereikbaarheid van God) onvervulbaar. Die omvattende visie geeft aan de eenentwintigste-eeuwse dichter tal van mogelijkheden. Allereerst put De Boodt zich uit in retorische wendingen. Zijn verzen gaan letterlijk alle kanten op. Aan de ene kant is de tekst gefragmenteerd, aan de andere kant is er sprake van een overkoepelende structuur die die losse eindjes samenknoopt. Aan de ene kant glijden de lange zinnen over de regels alsof ze zich door niets laten binden, aan de andere kant hanteert de dichter de constraint van vijflettergrepige regels. Dezelfde spanning tussen beregeling en ontregeling is ook inhoudelijk op elke bladzijde terug te vinden. De Boodt overbrugt vanzelf de afstand tussen hemel en onderwereld, tussen verleden en heden, tussen de ik en de ander. Alles lijkt op den duur zelfs onderling verwisselbaar, doordat het wordt opgenomen in die allesomvattende ervaring van de minne. De dichter is een zanger, maar tegelijk ook een ziener en een bezetene.
Dat Minnezang een huzarenstukje is, behoeft dus geen betoog. De Boodt heeft met deze bundel onmiskenbaar zijn grenzen verlegd. Hij toont zich veel ambitieuzer en veel virtuozer dan in zijn eerdere werk. Tegelijk echter is de bundel bijzonder ongelijk en na verloop van tijd nogal vermoeiend. Lang niet alle fragmenten lijken even noodzakelijk, en bij momenten lijkt muzikaliteit (eerder dan betekenis) zelfs de belangrijkste drijfveer van de dichter. Dat neemt echter niet weg dat deze Minnezang alle kritische aandacht verdient. [Dirk De Geest]
Copyright (c) Vlabin-VBC2011http://www.deleeswolf.be