Beschrijving

Recensie

T. van Deel
De dagboeken van de Vlaamse dichter Leonard Nolens (1947) behoren tot het beste van wat er in het Nederlands aan introspectieve dagboekliteratuur is geschreven. De monumentale boekvorm die het hele project, dat nu is afgerond, heeft aangenomen doet recht aan de hoge kwaliteit en aan de hoge, niet aflatende ernst van Nolens’ zelfonderzoek gedurende de jaren 1979-2007. De vier vorige afzonderlijke delen* zijn nu gebundeld met het niet eerder gepubliceerde vervolg over de jaren 1997-2007, 300 bladzijden uitstekend, niet-lichtvoetig proza over van alles en nog wat, nooit in zuiver anecdotische zin, altijd alles problematiserend en analyserend. Nolens is een mens die het zichzelf zo moeilijk mogelijk maakt, niet alleen door de drank (een zich herhalend motief), ook door de uitvergrote gevoelens die zich van hem bedienen. Hij is een echte egotist (een ‘vent’), iemand die het liefst over niemand anders dan zichzelf heeft, maar hij graaft dan ook diep en genadeloos, zonder gêne, maar dikwijls vervuld van schaamte, zelfverwijt. Daarbij besteedt hij de volle aandacht aan de vorm. Hij is een overtuigde anti-postmodernist, hij wil juist zijn eigen identiteit door middel van het schrijven (eveneens een zich herhalend motief) leren kennen en bevestigen. Een monument zonder weerga.
© NBD Biblion
In 2007 sloot Leonard Nolens het dagboek waaraan hij in 1979 was begonnen af. Voorheen waren er al drie delen van het dagboek gepubliceerd. Het vierde deel, dat loopt van 1998 tot 2007, is nu gebundeld met de drie eerder verschenen delen.
De dichter uit Dagboek van een dichter richt zijn leven volledig in in functie van de poëzie. Hij moet op elk moment van de dag beschikbaar zijn voor het geval een gedicht zich aandient. Elke vorm van regelmaat die het dichten in de weg zou kunnen staan, is uit den boze. Als het aan hem lag, gingen de dagelijkse beslommeringen gewoon aan hem voorbij: "Geen gezanik over spruiten met varkenslappen, zomervakanties, zilverwerk van Christophle, het aantal uren slaap en dure pensioenverzekeringen". Ook een vaste job is voor hem niet mogelijk. Orde en structuur passen niet in een dichtersbestaan waarin slordigheid en ordeloosheid onontbeerlijk zijn. De jonge dichter kiest aan het begin van het dagboek bewust voor de armoede. Dat is voor hem een soort statement. Hij beschouwt het kunnen kiezen voor armoede als een vorm van luxe, en hij ziet een onlosmakelijk verband tussen armoede en creativiteit. Zelfs de mogelijkheid om andere genres te beoefenen moet er omwille van hetzelfde verlangen naar ongebondenheid aan geloven: "Werken aan een roman zou mij in een bepaalde richting sturen die geen ruimte laat voor de gekregen regel. Het verhaal, de roman maakt mij onvrij".
Aan dit alles hangt natuurlijk een behoorlijk prijskaartje. Iedere dag uren aan je schrijftafel doorbrengen betekent immers niet dat de poëzie zich ook iedere dag aandient, integendeel zelfs: "Ikzelf weet pertinent dat althans voor dichters een writer's block de regel is, en het schrijven zelf de uitzondering". Dat is ook wat louter in functie van het dichten leven zo moeilijk maakt. Toch kan Nolens het niet loslaten: "Ik wou dat ik kon accepteren dat niet elke dag van mijn bestaan poëzie wordt". Een rode draad in het dagboek zijn de periodes van drankzucht. Die worden telkens overwonnen, maar komen ook telkens weer terug. Daarnaast moet Nolens leren aanvaarden dat door zijn keuzes zijn oeuvre vermoedelijk nooit meer zal omvatten dan zijn dichtbundels en het dagboek. En poëzie mag dan wel in zijn eigen leven een centrale plaats innemen, in de maatschappij heeft poëzie ? en bijgevolg ook de dichter ? maar een marginale positie. Ook dit moet hij leren aanvaarden. Bovendien hebben zijn keuzes niet enkel gevolgen voor hemzelf, maar ook voor zijn familie. De relatie tussen zijn zoon en kleinzoon staat in schil contrast met de relatie die hij zelf met zijn zonen heeft: "Hun ongedwongen toewijding aan de kinderen is een permanent verwijt aan wat je zelf nooit echt bent geweest: een vader. [...] Wat was je voor een man toen je op je drieëntwintigste vader werd? Iemand die zelf moest leren lopen en spreken". Doordat hij zich zoveel afzondert, wordt zijn sociaal leven steeds nauwer. Er zijn steeds minder mensen met wie hij geregeld nog eens afspreekt. Dit weegt zwaar op de relatie met zijn vrouw Leen: "Vanmorgen ontbijt met tranen. Van Leen. Ik weet wat die tranen beduiden. Zo kunnen wij niet verder leven. Zo afgezonderd. Zo bijna zonder vrienden en kennissen. Zo bijna buiten de wereld. Maar wij doen het. En wij doen het hoogstwaarschijnlijk tot onze laatste snik".
Voor Nolens zijn leven en dichten niet gewoon nauw met elkaar verbonden, ze zijn een en hetzelfde: "Ik houd geen dagboek, ik schrijf mijn mens. Ik componeer geen poëzie, ik word een gedicht". Stoppen met schrijven zou hetzelfde zijn als ophouden te bestaan. De identiteit van de dichter komt tot stand door het dichten. Dichten is een manier om zichzelf te kennen, zichzelf te begrijpen. Nolens beschrijft zichzelf als "een individu dat in de eerste plaats schrijft om zichzelf in de gaten te krijgen". De dichter moet volgens Nolens aanwezig zijn in het gedicht. Is dit niet het geval, dan is het gedicht niets anders dan een ongedekte cheque. De verhouding tussen de identiteit van de dichter en het gedicht staat wel steeds onder spanning. Welk van de twee authentieker is, is een vraag die Nolens enorm bezighoudt. Taal behoort immers nooit enkel toe aan één individu: "Men schrijft zijn hoogstpersoonlijke dagboek in de taal van vreemden. En zelfs mijn meest intieme, unieke gedichten blijken niet meer te zijn dan een vertaling". Het feit dat iemand in een bepaalde taal schrijft en niet in een andere berust louter op toeval, maar dit toeval is wel heel bepalend voor het geschrevene, want 'Ik' en 'Ich' zijn niet zomaar hetzelfde. Met deze vorm van willekeur heeft Nolens het moeilijk. Een individu is specifiek en uniek, woorden zijn dat niet. Toch is Nolens ervan overtuigd dat een gedicht die contingentie weet te overstijgen, dat woorden uiteindelijk, zoals Joseph Brodsky beweerde, "eerlijker" zijn dan bloed: "Het gedicht is als corpus in al zijn gecomponeerde complexiteit vollediger dan de contingente mens van vlees en bloed. In die volledigheid schuilt de eerlijkheid".
Nolens gaat zeer bewust een aantal stereotiepe levenskeuzes uit de weg, maar het beeld van de dichter die elk keurslijf mijdt en in afzondering leeft is natuurlijk óók bijzonder stereotiep. Het is weinig waarschijnlijk dat deze ironie Nolens ontgaat. Toch is hij tot op de laatste bladzijden van zijn dagboek achter zijn keuzes blijven staan. De dichter aan het einde van het boek lijkt in veel opzichten nog erg op de dichter van in het begin. Hij schuwt nog steeds dezelfde dingen, worstelt nog steeds met dezelfde vragen en koestert nog altijd dezelfde verlangens. De onthullingen in zijn dagboek hebben hem al vaak het verwijt opgeleverd dat hij wereldvreemd is. Belangrijke gebeurtenissen in de wereld lijken hem slechts in zeer beperkte mate bezig te houden. Hij typt nog steeds op een ouderwetse schrijfmachine. Niet omdat hij te lui is om met de computer te leren werken, maar omdat hij "vermoedt" dat een moeizamer schrijfproces tot meer zorgvuldigheid leidt. Zeker weet hij dit natuurlijk niet, omdat hij nooit met de computer werkt. Nolens' wereldvreemdheid schuilt echter ook in kleinere dingen, zoals zijn afkeer van agenda's: "een gruwel: niets staat open, niets staat blank, alles zit vastgeroest in het onwrikbare systeem van plaats en datum [...] in de valse troost van een leven dat al bestaat voor men het leidt". Of in wat hij schrijft over mensen met een nine to five: "Hun baas telt de uren op zijn bedrijvige vingers voor hen af, hun verlangen wordt levendig gehouden door de verlosssende klokslag van vijf uur". Het dramatische en karikaturale van zulke uitspraken drukt niet enkel Nolens' afkeer uit, maar ook hoe ver deze dingen van zijn leefwereld af staan. Door de manier waarop hij zijn dagen doorbrengt zijn er kanten van het leven die hij niet echt heeft leren kennen. Toch lijkt Nolens zich ook hier bewust van. Hij schrijft dat hij soms jaloers is op mensen bij wie deze dingen wél deel uitmaken van hun dagelijks leven. Komt een deel van die jaloezie misschien voort uit het feit dat voor hen deze kanten van het leven niet karikaturaal maar levensecht zijn? Het is niet ondenkbaar. Toch heeft dit hem er nooit toe gebracht andere keuzes te maken. Anders gezegd: als zijn manier van leven zou leiden tot wereldvreemdheid, dan neemt hij ook dat erbij. Het zijn niet Nolens' keuzes, maar zijn onverminderde volharding in die keuzes die je in dit dagboek verbazen en tegelijkertijd ontroeren. Het grootste verschil tussen de dichter aan het begin van het dagboek en die op het einde is dat er bij de oudere dichter gewenning optreedt. Hij leert leven met gemis, en met een toekomst die steeds onzeker blijft: "Je leert wennen aan pijn". [Johanna Cassiers]
Copyright (c) Vlabin-VBC20091231http://www.deleeswolf.be