Beschrijving

Recensie

Droeve, boze, weemoedige verzen

Janita Monna, 26 januari 2019

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw.

'Er zijn vijgen, dadels, amandelen. Er is alles." Op televisie is een reisprogramma. Ik kijk mee met een presentator die ergens in een afgelegen gebied in Marokko een man en zijn gezin bezoekt. Het landschap is indrukwekkend. De man hoedt zijn vee. Is blij met wat hij heeft, munt, pompoen, wortel. Hij zegt: "Ik ben Berber. Ik ben vrij."

Meteen krijgt de dichtbundel die ik afgelopen week las een diepere kleur. Ik lees de korte biografie van dichter Ahmed Ziani (1954-2016) nog eens terug. Ooit was hij herder, zijn schrijven zou zich hebben ontwikkeld tijdens het hoeden van zijn kudde in de heuvels. Maar anders dan de man op televisie, vertrok hij van de plek waar hij opgroeide. Armoede deed hem besluiten naar Nederland te gaan. Hij schreef ''Allal' een lang gedicht over emigratie: "Hij dacht dat hij maar kort van huis zou zijn / en dat, mocht het wat tegenvallen, het alles bij elkaar toch niet van lange duur / zou zijn."

Het is een lied over tweestrijd, over eenzaamheid, over kinderen die niet langer Berbers, maar Nederlands zijn: "Ze hebben allerlei Nederlandse woorden geleerd, met wie kan hij nog spreken?"

Die thema's keren ook terug bij de andere dichters die zijn opgenomen in 'Vallende tijd'.

De bundel is het sluitstuk van de Berberbibliotheek, klassiekers uit Berberlanden. Volgens Asis Aynan, die een nawoord schreef, is deze poëzie uit het Rifgebergte nodig 'om het Riffijnse volk en zijn strijd om erkenning te begrijpen'.

De gedichten openen inderdaad een venster op een andere wereld, op een volk in onderdrukking en zijn strijd om een waardig bestaan. Op families die verscheurd raakten doordat vaders, zoons, ooms naar elders vertrokken, in de hoop op een beter leven. Op gezinsleden die in het westerse Europa van elkaar vervreemd raakten.

Mimoun el Walid (1959), de jongste van de vier dichters, geldt als de 'vader van het moderne Riffijnse lied'. Hij ging de straat op, wilde een beter leven voor Berbers in Marokko. Hij werd opgepakt, en schreef vanuit de gevangenis onder meer: 'Door de tralies van lange nachten/ kijk ik naar de wolken'.

De toon en de muziek in 'Vallende tijd', het is soms even wennen. Regels kunnen gedragen klinken, er is haast iets als een gemeenschappelijk beeldtaal. Het is een taal die verbindt.

En die kan behoorlijk donker zijn, zoals bij Fadma el Ouariachi (1957), als ze schrijft over een ongewenst kind: 'via een duistere gang heb je hem/ ter wereld gebracht,/ toch voelt hij geen verlangen/ want hij was niet welkom.'

De politiek geëngageerde Mohammed Chacha (1955-2016) was 22 toen hij naar Nederland kwam, op de vlucht voor het Marokkaans regime. Hij was een van de eersten die in het Berbers schreven.

Droeve, boze, maar ook weemoedige verzen, tegen onderdrukking, voor de vrijheid: "De Rif huivert / ze willen hem monddood maken / omdat de Rif noch vereert / noch in hun klauwen blijft."

Vert. Roel Th. Otten, Khalid Mourigh, Ahmed Aynan, Asis Aynan en Abdelkader Benali Jurgen Maas; € 17,95.

26 januari 2019© Trouw86