Beschrijving

Recensie

De titel van Paul Rigolles Tot het bestaat vinden we onder andere terug in het laatste gedicht en na de inhoudsopgave en enkele aantekeningen op de laatst genummerde bladzijde in een citaat van Martinus Nijhoff. Deze merkt naar aanleiding van een tekst van Nescio op dat je alvorens een Titaan te zijn een Titaantje moet zijn, en dat je tegen de wereld moet optornen ter wille van iets dat niet bestaat, en wel net zo lang moet blijven optornen ‘tot het bestaat’.
Rigolle is poëtisch bezig met dat optornen. In een kleine vijftig gedichten, verdeeld over zes afdelingen, toont hij duidelijk waarnaar hij op weg is, wat hij wil bereiken met zijn gedichten. Op dat wat er dus nog niet is, wordt in de bundel al eerder gezinspeeld. Reeds in het vierde gedicht, ‘Vrede’, schrijft hij over ‘de lippen waarop vervoering // bloeit en om voltooiing smeekt’. Rigolle geeft een advies — of is het een bevel? ‘Geef / het vorm, geef het namen.’ Het doet denken aan Adam die in het eerste Bijbelboek namen geeft. De dichter weet echter dat de taal geen gemakkelijke materie is, meerdere keren wijst hij op het schrijven en spreken in zijn teksten, bijvoorbeeld in ‘Schroom’: ‘Schuw voor één keer de grote woorden niet.’ In de afdeling ‘De galerij’ kijkt of bestudeert hij wat zijn favoriete dichters van of met de taal gemaakt hebben en als hij een afdeling wijdt aan zijn geliefde sport, het wielrennen, kan hij het uiteraard niet laten — gelukkig niet, want het is een boeiend gedicht — om de dichter met de wielercoureur te vergelijken.
Het interessante van deze gedichten is dat de taal er niet slechts een mededelingsapparaat is, maar dat de dichter ook met en in de taal, af en toe bijna bezwerend, resultaat tracht te verkrijgen. Wat dat betreft zal de lezer in ‘De galerij’ Achterberg missen, hoezeer de thematiek van beide dichters ook verschillen. De taal is bij Rigolle soms dwingend, nu eens in een opeenvolging van korte notities of uitroepen, dan weer lange zinnen. De wielervergelijking zou kunnen worden voortgezet met klimmen, dalen, rechte stukken en gevaarlijke bochten, wind mee, wind tegen. Maar de dichter toont durf, dwingt de grammatica een enkele keer in een eigen vorm, gebruikt waar nodig rustig talloze malen hetzelfde woord. In de afdeling ‘Noveen’(negen gedichten van negen regels) kan 49 maal het woord ‘wat’ opgemerkt worden. Wat minder zijn de vele, vele allitteraties die hij als een ware rederijker uit zijn pen perst en de wat flauwe grapjes als ‘prousten’ (p.38) en ‘In Gap op apegapen’ (p.52). Toch is Tot het bestaat een verrassend goede bundel. [Gerard Berends]
Copyright (c) Vlabin-VBC20141031http://www.deleeswolf.be